Context van de maatregel en het arrest van het Grondwettelijk Hof van 12 juni 2025
Sinds 1 juli 2023 ontvangt een gelegenheidsarbeider in de landbouw en tuinbouw een loon dat overeenkomt met dat van de eerste categorie van reguliere arbeid, ongeacht de subsector.
Om de hogere loonkosten voor werkgevers te compenseren, werd een fiscale maatregel ingevoerd: een gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor gelegenheidsarbeid in de fruitteelt en groenteteelt.
Aanvankelijk gold deze maatregel tijdelijk van 1 juli 2023 tot 31 december 2023. Vanaf 1 januari 2024 kreeg ze een permanent karakter.
Uitzendkantoren waren echter uitgesloten van deze regeling wanneer zij gelegenheidsarbeiders tewerkstelden bij gebruikers in de landbouw- en tuinbouwsector. Deze uitsluiting stuitte op verzet vanuit de uitzendsector, waarna de beroepsvereniging de maatregel aanvocht bij het Grondwettelijk Hof.
Het Hof oordeelde dat deze regeling een selectieve maatregel was die kon worden beschouwd als staatssteun. Aangezien de maatregel niet werd aangemeld bij de Europese Commissie, handelde de wetgever in strijd met het Europees recht.
Volgens het Hof schond de maatregel het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel, in samenhang met artikel 108, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Als gevolg daarvan vernietigde het Grondwettelijk Hof de permanente gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor gelegenheidsarbeid in de fruitteelt en groenteteelt, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2024.
Herinvoering van de maatregel
Een wetsontwerp voorziet in de herinvoering van deze vrijstelling vanaf 2026, in een licht gewijzigde vorm.
De maatregel wordt inhoudelijk aangepast om tegemoet te komen aan de eerdere bezwaren. Voortaan zullen ook uitzendkantoren, onder bepaalde voorwaarden, gebruik kunnen maken van deze vrijstelling wanneer zij gelegenheidsarbeiders ter beschikking stellen van werkgevers in de fruitteelt en groenteteelt.
Toepassingsgebied
Werkgevers die ressorteren onder het paritair comité voor de tuinbouwbedrijven en waarvan de hoofdactiviteit bestaat uit fruitteelt of groenteteelt, komen in aanmerking voor deze vrijstelling.
Daarnaast kunnen ook uitzendkantoren de vrijstelling toepassen voor uitzendkrachten die zij inzetten als gelegenheidsarbeiders bij gebruikers die actief zijn in deze sectoren, op voorwaarde dat zij de toestemming van de gebruiker verkrijgen volgens de door de Koning vastgelegde modaliteiten.
Voor de toepassing van deze regeling worden de begrippen als volgt gedefinieerd:
-
Groenteteelt: teelt van groenten in openlucht of onder glas
-
Fruitteelt: teelt van hardfruit, zachtfruit en steenfruit, inclusief wijnbouw
De betrokken werkgevers moeten lonen betalen of toekennen voor prestaties geleverd als gelegenheidsarbeider vanaf 1 januari 2026 en moeten bedrijfsvoorheffing verschuldigd zijn op deze lonen overeenkomstig artikel 270, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
Zij moeten bovendien de volledige bedrijfsvoorheffing inhouden op deze lonen.
Bedrag van de vrijstelling
De gedeeltelijke vrijstelling bedraagt 1,30 euro per uur, vermenigvuldigd met het totale aantal uren gepresteerd als gelegenheidsarbeider in de fruitteelt of groenteteelt waarvoor voor het eerst lonen worden betaald of toegekend.
Onder een gepresteerd uur wordt verstaan:
Dit bedrag zal jaarlijks worden aangepast op basis van een specifieke indexeringsformule.
Vanaf 1 januari 2027 zal bovendien een correctiefactor worden toegepast.
Volgorde van toepassing en beperkingen
De vrijstelling wordt toegepast op de ingehouden bedrijfsvoorheffing, maar pas nadat andere bestaande vrijstellingen zijn toegepast, zoals:
Belangrijk: de vrijstelling kan niet worden toegepast op bedrijfsvoorheffing die aanvullend wordt ingehouden boven het wettelijke minimum.
De standaardtarieven blijven van toepassing:
-
11,11 % voor rijksinwoners
-
18,725 % voor niet-rijksinwoners
Impact voor werkgevers
De herinvoering van deze maatregel biedt een belangrijke financiële ondersteuning voor werkgevers in de sector.
Ze helpt om de gestegen loonkosten gedeeltelijk te compenseren en zorgt voor meer budgettaire voorspelbaarheid.
Voor uitzendkantoren betekent de uitbreiding van het toepassingsgebied bovendien een belangrijke stap richting gelijke behandeling.
Aangezien de maatregel gebaseerd is op een wetsontwerp, kunnen nog wijzigingen volgen.
Conclusie
De terugkeer van de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing in de fruitteelt en groenteteelt toont de wil van de wetgever om een essentiële sector te ondersteunen.
Dankzij een juridisch beter onderbouwde en meer inclusieve regeling, biedt deze maatregel meer zekerheid en gelijkheid voor alle betrokken partijen.
Het blijft echter belangrijk om de verdere wetgevende ontwikkelingen op te volgen.
👉 Heeft u vragen over de concrete toepassing van deze maatregel binnen uw onderneming?
Neem contact met ons op !
Bronnen
-
Amendementen op het programmawet van 25 februari 2026, DOC 56 1378/002
-
Grondwettelijk Hof, arrest van 12 juni 2025
-
Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 270